1. Klimaat
1.1 Wat is het klimaat?
Het klimaat is het gemiddelde weer in een bepaald gebied over een periode van 30 á 40 jaar. Om te bepalen wat voor klimaat ergens heerst, verzamelen meteorologen op vaste plaatsen op aarde alle gegevens over het weer. Dit noemen we weerfactoren. Weerfactoren zijn bijvoorbeeld:
- Luchtdruk
- Temperatuur
- Vochtigheidsgraad
- Wind
- Bewolking
- Neerslag
Het weer is natuurlijk iedere dag anders en daarom werken weerkundigen (meteorologen) met het gemiddelde van het weer. Door het gemiddelde te nemen, krijg je cijfers die je als ‘algemeen’ kan zien voor een gebied, zoals de gemiddelde temperatuur. Een voorbeeldje: als het tijdens de maand juli ieder jaar ongeveer 25 graden is in Nederland, mag je dit als het gemiddelde beschouwen. Maar stel dat het nou één keer regent en het maar 10 graden is, betekent dat niet meteen dat we in Nederland een koud regenachtig klimaat hebben! Dit is een uitzondering en je kan op basis van het weer op die ene dag niet zeggen dat het in juni dus altijd regent en 10 graden is. Meteorologen houden daarom rekening met dagelijkse en jaarlijkse afwijkingen en houden ook rekening met extreme weersituaties. Denk hierbij aan orkanen, hittegolven en zware regenval.
Met al deze gegevens over het weer kunnen meteorologen zien hoe het klimaat zich over een langere periode ontwikkelt.
1.2 Klimaatsoorten
Op onze aarde bestaan verschillende klimaten. In Spanje is het gemiddelde weer namelijk heel anders dan bijvoorbeeld in Nederland. We onderscheiden in het systeem van Köppen 5 klimaattypen:
1. Zeeklimaat
Het zeeklimaat hebben we in Nederland. Het wordt gekenmerkt door wisselvallige weersomstandigheden. Een zeeklimaat kent geen extreem warme zomers en strenge winters of perioden van extreme droogte.
2. Tropenklimaat
Het tropenklimaat treffen we aan vlak rond de evenaar. Het is hier warm en de temperatuur is gedurende het hele jaar ongeveer gelijk. Er is dan ook nauwelijks verschil tussen zomer en winter. Daarnaast is het ongeveer even lang dag als nacht. De zon komt op rond 6 uur ’s ochtends en gaat rond 6 uur ’s avonds weer onder. Heel dicht tegen de evenaar treffen we oerwouden aan waar het heel veel regent. Dit worden ‘tropische regenwouden’ genoemd.
3. Woestijnklimaat
Het woestijnklimaat wordt gekenmerkt door een tekort aan neerslag. Door de extreme droogte kunnen er bijna geen planten groeien. Op de plekken waar nog een korte tijd regen valt, is nog enige plantengroei mogelijk. Hier spreken we dan van steppe. In de woestijn is het echter droog en dor en het landschap bestaat voornamelijk uit zand. Kenmerkend voor droge klimaten zijn de grote verschillen tussen de dag- en nachttemperatuur. Omdat er nauwelijks bewolking is, heeft de zon vrij spel. Overdag wordt het heet terwijl de warmte ’s avonds snel kan ontsnappen, doordat er geen wolken zijn die de warmtestraling tegenhouden. Daardoor kan het ’s avonds flink koud zijn.
4. Landklimaat
Het landklimaat kenmerkt zich door de grote verschillen tussen de zomer en winter. De zomers zijn vaak kort en warm, terwijl de winters lang en koud zijn. In de winter valt er dan ook veel sneeuw.
5. Poolklimaat
In het poolklimaat ontbreekt een warme periode. De temperatuur komt nooit boven de 10 graden Celsius. De neerslag is gering. Wel komen er sneeuwstormen voor waarbij gevallen sneeuw opwaait.

Bron: Basis Bosatlas; Copyright: Wolters-Noordhoff, Groningen
Meer informatie over klimaattypen?
http://www.geolinks.nl/klimaat.htm#4
http://nl.wikipedia.org/wiki/Klimaatclassificatie_van_K%C3%B6ppen
1.3 Klimaatfactoren
Zoals we hebben gezien, bestaan er grote verschillen in het klimaat op aarde. Welk klimaat ergens heerst, hangt af van een aantal factoren:
1.3.1 De breedteligging
De breedteligging is van grote invloed op de temperatuur. Het verschil in breedteligging heeft te maken met de afstand tot de evenaar. In figuur 1.3.1 zijn de breedtegraden aangegeven als de horizontale lijnen. Deze lijnen bestaan dus niet echt maar zijn denkbeeldig.

Figuur 1.3.1
Misschien is het je al opgevallen dat de gebieden rond de evenaar over het algemeen erg warm zijn. De regel luidt: hoe dichter bij de evenaar, hoe warmer en hoe verder daarvandaan hoe kouder. Dit temperatuurverschil komt door de bolling van de aarde en de stand van de aarde ten opzichte van de zon. Zoals je ziet in figuur 1.3.2 en 1.3.3 moeten de zonnestralen richting de polen een langere weg afleggen en verder door de atmosfeer reizen dan stralen richting de evenaar. Tijdens deze langere reis verliezen ze meer energie (en dus warmte) en is er dus minder warmte over om de aarde mee te verwarmen. Daarnaast hoeft de zon boven de evenaar met dezelfde hoeveelheid zonnestraling een kleiner oppervlak te verwarmen dan op de polen. Dat komt doordat de zon loodrecht op de evenaar staat terwijl de zonnestralen op de polen schuin invallen. In figuur 1.3.2 staat het verwarmde oppervlak aangegeven met een oranje streepje.

Figuur 1.3.2

Figuur 1.3.3
1.3.2 De hoogteligging
De hoogteligging heeft ook invloed op de temperatuur. Je hebt vast weleens gemerkt dat het op de top van een berg heel wat kouder is dan beneden. Dit heeft te maken met het opwarmen van de aarde. De aarde wordt onderaf verwarmd. Daarom is het boven op een berg vaak een stuk kouder dan wanneer je aan de voet van de berg staat.
1.3.3 De gesteldheid van het aardoppervlak
Met de gesteldheid bedoelen we de verschillen in aardoppervlak. De aarde is niet overal hetzelfde. Zo heb je land en zee. Deze verschillen in aardoppervlak zorgen ook voor verschillen in temperatuur. Omdat de aarde van binnenuit wordt verwarmd en het land de warmte en kou beter geleid, zullen de temperatuurverschillen boven land groter zijn dan boven zee. Denk maar aan de zomer, de zee is niet in één keer warm, dit gaat geleidelijk terwijl de stoeptegel in de zomer binnen een korte tijd erg heet kan zijn.
1.3.4 Zeestromen en de ligging ten opzichte van water
De stromingen van de zee bepalen voor een groot deel de klimaten. De zeestromen of golfstromen verplaatsen namelijk het water van het ene naar het andere gebied. Ze brengen koud water van het noorden naar het zuiden en het warme water van de tropen naar de polen.
In figuur 1.3.4 zijn de belangrijkste zeestromen op aarde te zien. Een sterke zeestroom in de Atlantische Oceaan vanuit het zuiden, zorgt voor aanvoer van veel warmte, wat een relatief mild klimaat in Noordwest-Europa mogelijk maakt. Een zwakke zeestroom in de Atlantische Oceaan vanuit het zuiden daarentegen, zorgt dat het koude water van het noordelijke deel van de oceaan opschuift naar het zuiden. Boven de koude oceaan kan de temperatuur fors dalen. Een verandering in de sterkte van de zeestroom kan dus voor klimaatveranderingen zorgen.

Figuur 1.3.4
Ook in Nederland merken we de invloed van de zee op ons klimaat. De luchtaanvoer over water heeft namelijk een ‘matigende’ invloed. In de zomer is de zee relatief koud ten opzichte van de lucht. De lucht boven zee wordt hierdoor afgekoeld. Als er in de zomer wind van zee komt, brengt dit dus verkoeling en het is daardoor aan de kust wat frisser dan in het binnenland. In de winter gebeurt het tegenovergestelde. De zee is dan relatief warm ten opzichte van de lucht (de zee is namelijk gedurende de hele zomer opgewarmd) en de lucht boven de zee wordt daardoor ook iets warmer. Door wind van zee, is het in de winter in kustgebieden daarom vaak wat minder koud dan verder van de kust vandaan, waar de invloed van de zee minder is.
1.3.5 De ligging van gebergten
De wind heeft veel invloed op de temperatuur. Als je nu denkt aan een hoge berg, kun je je wel voorstellen dat bergtoppen de wind, en dus ook de warme en koude lucht, hinderen. De wind heeft geen vrije doorgang. Een gebergte is dan eigenlijk een soort muur die de stroming van warme of koude lucht kan tegenhouden. Zo kan aan de ene kant van de berg de zon schijnen, terwijl het aan de andere kant regent.

1.4 Hoe werkt het klimaat?
De basisfactoren die de klimaten op onze aarde bepalen zijn de zon en de atmosfeer. De zon verwarmt de aarde. Een deel van de zonnestraling wordt teruggekaatst; een ander deel wordt omgezet in warmte. Broeikasgassen zoals waterdamp en CO2 leggen een warme deken om de aarde en functioneren als een soort broeikas: ze zorgen ervoor dat een deel van de warmtestraling van de grond wordt vastgehouden. Zonder dat warme-deken-effect zou de aarde veel kouder zijn. In figuur 1.4.1 wordt dit proces nog eens uitgelegd.

Figuur 1.4.1 functie van de atmosfeer
1.4.1 Kringlopen
In een klimaat komen verschillende kringlopen voor, zoals de waterkringloop in de afbeelding hieronder: De zon warmt de zee op waardoor zeewater verdampt. Dit water condenseert en er ontstaan wolken. Deze wolken verplaatsen zich naar het land. Daar nemen de wolken steeds meer vocht op afkomstig van bijvoorbeeld meren, riviertjes en planten. Deze opname van vocht gaat net zo lang door totdat de wolken te zwaar worden. Het vocht valt vervolgens in de vorm van regen of sneeuw weer op aarde. De regen wordt in de aarde opgenomen als grondwater of verplaatst zich via rivieren weer terug naar de zee en rivieren.

Figuur 1.4.2 De waterkringloop
Er zijn nog veel meer factoren die elkaar beïnvloeden, versterken, kringlopen vormen en uiteindelijk samen het klimaat in een bepaald gebied bepalen. Het klimaat is een gevolg van talloze processen die op elkaar inwerken. Al die samenhangende processen kun je dus niet afzonderlijk van elkaar bekijken; begrip van het klimaat komt alleen door het netwerk van samenhangende processen te onderzoeken.

Figuur 1.4.3 netwerk van interacties in klimaat, bron: kennislink.nl, Dossier: Broeikaseffect - vriezen of smoren

