go to navigation or straight to content

6. Maatregelen tegen klimaatvervandering

6.1 Wat is klimaatbeleid?

Het klimaat is de laatste jaren een hot topic geworden. Mensen beseffen inmiddels dat we niet met de aarde om kunnen gaan zoals we nu doen en dat er dus iets gedaan moet worden om de klimaatverandering te stoppen. Daarom hebben regeringen van verschillende landen besloten om een zogenaamd ‘klimaatbeleid’ te maken. Dit bestaat uit regels en doelstellingen over bijvoorbeeld energieverbruik en de CO2 uitstoot. Met het klimaatbeleid proberen landen alleen en met elkaar de klimaatverandering tegen te gaan.


Figuur 6.1, bron: www.docukit.nl

6.1.1. Het klimaatverdrag

In 1992 werd in Rio de Janeiro één van de eerste grote klimaatafspraken gemaakt, meestal ‘het klimaatverdrag’ genoemd. In dit verdrag staat dat de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer gestabiliseerd moet worden tot een niveau waarop de menselijke invloeden (in de vorm van bijvoorbeeld CO2 uitstoot) geen groot gevaar meer vormen voor het klimaat. Het klimaatverdrag valt onder de verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties en is begin jaren ’90 door 189 landen, waaronder ook Nederland, ondertekend. Deze landen hebben afgesproken om de groei van hun uitstoot van broeikasgassen te stoppen. Na een paar jaar werd echter duidelijk dat de hoeveelheid broeikasgassen niet genoeg stabiliseerde en dat de afspraken die in het klimaatverdrag stonden niet gehaald konden worden. Daarom werd in 1997 het Kyoto protocol opgesteld.

6.1.2 Het Kyoto protocol

Omdat het klimaatverdrag niet voldoende bleek te zijn, is dit verdrag aangevuld met het Kyoto Protocol. Dit verdrag is, zoals de naam al doet vermoeden, opgesteld in de Japanse stad Kioto. Zoals eerder gezegd is het verdrag al in 1997 gesloten, maar is het pas op 16 februari 2005 in werking getreden. Dit kwam doordat er in het begin onduidelijkheden waren over de uitvoering van de afspraken. Een bijkomend probleem was dat de Verenigde Staten het protocol niet wilden ondertekenen. Vooral niet omdat ze vonden dat het protocol slecht zou zijn voor de Amerikaanse economie. Het Kyoto protocol kon daarom nog niet in werking treden, want daarvoor moesten minimaal 55 landen die in 1990 samen 55% van de totale CO2 uitstoot veroorzaakten het verdrag ondertekenen. Uiteindelijk besloot Rusland om deel te nemen en kon het verdrag van Kyoto in werking treden.

In figuur 6.1.2 zijn de deelnemende landen groengekleurd, grijsgekleurde landen hebben niet ondertekend, geelgekleurde landen hebben ondertekend en zijn bezig maatregelen in te stellen en roodgekleurde landen hebben ondertekend maar doen steeds minder moeite om het protocol na te komen.


Figuur 6.1.2 , bron: wikipedia

De landen die het verdrag van Kyoto ondersteunen, hebben beloofd om hun uitstoot van broeikasgassen in de periode van 2008-2012 sterk terug te dringen. Allereerst terug naar de hoeveelheid die er in 1990 in de atmosfeer aanwezig was. Vervolgens is er per land een percentage bepaald voor verdere terugdringing. De VS moeten de uitstoot van broeikasgassen bijvoorbeeld met 7% verminderen, Japan met 6% en de Europese Unie met 8%.

Om het een beetje makkelijker te maken, mogen landen ook proberen de concentratie broeikasgassen te verminderen in ontwikkelingslanden die niet verplicht zijn hun uitstoot te verlagen, dit wordt “clean development mechanism” genoemd. Landen mogen ook proberen om de uitstoot te verminderen in niet-ontwikkelingslanden en de verminderde uitstoot mogen ze meetellen voor de eigen Kyoto-doelstellingen. Dit wordt “Joint-implementation” genoemd. Een derde mogelijkheid is emissiehandel.

Voor meer informatie kan je de volgende filmpjes bekijken

6.1.3 Emissiehandel

Emissie is de ‘uitstoot van kleine deeltjes’. Emissierechten geven bedrijven of landen het recht een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten. Bij emissiehandel gaat het vooral om rechten voor de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) en stikstofoxide (NOx). Deze gassen komen van nature al in de lucht voor, maar komen extra vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen zoals olie, aardgas en benzine. Vooral het verkeer en de industrie zijn verantwoordelijk voor de afgifte van een grote hoeveelheid van deze gassen. Omdat de landen die het Kyoto protocol hebben ondertekend de emissie van broeikasgassen sterk moeten terugdringen, hebben regeringen regels opgesteld voor de hoeveelheid koolstofdioxide en stikstofdioxide die een bedrijf in hun land mag uitstoten. Sommige bedrijven, bijvoorbeeld die investeren in schone productieprocessen, stoten minder van deze gassen uit dan ze volgens de regels zouden mogen. Ze kunnen dan hun recht om een bepaalde hoeveelheid CO2 en NOx uit te stoten verkopen aan bedrijven die meer de atmosfeer in sturen. Bedrijven kunnen dus het recht om koolstofdioxide en stikstofoxide uit te stoten kopen en verkopen. Dit handelsproces is grafisch weergegeven in figuur 6.1.3


Figuur 6.1.3 , emissiehandel, bron: www.ecofys.nl

Als een bedrijf te veel broeikasgassen uitstoot kan het 2 dingen doen:

  • het productieproces aanpassen zodat er minder schadelijke gassen worden uitgestoten
  • of emissierechten kopen van bedrijven die minder uitstoten dan toegestaan.

De totale hoeveelheid broeikasgassen die jaarlijks vrijkomt blijft dan gelijk aan de vastgestelde hoeveelheid maar wordt efficiënter over de bedrijven verdeeld. De prijs van een ton CO2 ligt nu rond de 9 euro.

6.2 Wat doet de Europese Unie?

De klimaatverandering gaat iedereen aan. Landen kunnen dit probleem dan ook niet alleen oplossen, maar moeten samenwerken om de schadelijke invloeden te beperken. Het Kyoto protocol dat bijna alle landen van de wereld hebben ondertekend, is een van de bekendste samenwerkingsvormen tussen landen om het klimaat te beschermen. Dit protocol eindigt echter in 2012, maar ook daarna is het belangrijk dat er samenwerking plaatsvindt om het klimaatprobleem te bestrijden. Daarom is de Europese Unie al gestart met het maken van een gezamenlijk beleid en gezamenlijke maatregelen die de klimaatverandering moeten tegengaan. In maart 2001 is de Europese Commissie bijvoorbeeld met het ‘European Climate Change Programme’ begonnen. Dit programma was erop gericht om nieuwe mogelijkheden te vinden om de uitstoot van broeikasgassen op een effectieve manier terug te dringen.

Het uitgangspunt voor het klimaat- en energiebeleid van de Europese Unie is dat de aarde niet meer dan 2 graden Celsius warmer mag worden. Om dit te bereiken, moet de uitstoot van broeikasgassen in industrielanden in 2020 gedaald zijn tot 30% onder het niveau van 1990! Dit is erg veel en de EU heeft daarom besloten voorlopig te streven naar een reductie van 20%.

In maart 2007 ontwikkelde de EU daarom de zogenaamde 20-20-20 doelstellingen: ‘20% minder uitstoot van broeikasgassen, 20% duurzame energie en 20% energiebesparing’. Als landen buiten de EU ook besluiten om te proberen hun uitstoot van broeikasgassen flink te verminderen dan is de EU misschien bereid haar eigen uitstoot met zelfs 30% te verminderen. Verder probeert de EU het gebruik van biobrandstoffen, duurzame energie en groene energiebronnen, zoals wind en water, te stimuleren.

In figuur 6.2 zie je een grafiek die de hoeveelheid broeikasgassen tot 2025 aangeeft in 2 gevallen:

  • de rode lijn toont het effect bij weinig internationaal klimaatbeleid
  • de blauwe lijn toont het effect bij veel internationaal klimaatbeleid).

Zoals je ziet zal de hoeveelheid broeikasgassen sterk dalen als er goed samengewerkt wordt aan een klimaatbeleid!


Figuur 6.2
De werkelijke en toekomstige ontwikkeling van de uitstoot van broeikasgassen onder invloed van twee economische scenario's. Zowel de EU-doelstelling als de nieuwe Nederlandse doelstelling blijven buiten bereik. Bron: MNP

6.3 Wat doet Nederland?

In Nederland wordt de laatste tijd veel aandacht besteed aan het klimaat. Op de tv zijn dagelijks reclamespotjes te zien waarin milieu organisaties aandacht vragen voor het klimaat of waarin wordt uitgelegd hoe we zuiniger met onze energie om kunnen gaan. Ons land behoort bovendien tot één van de landen die het Kyoto protocol hebben ondertekend. Daarmee heeft Nederland zich verplicht om de uitstoot van broeikasgassen in de periode van 2008-2012 met 6% te verminderen ten opzichte van 1990. Om dit doel te bereiken heeft de overheid de uitstoters van gassen in verschillende groepen verdeeld, zoals ‘verkeer’, ‘consumenten’ of ‘industrie’. Per groep is vervolgens vastgesteld hoeveel er uitgestoten mag worden. Als groepen meer of minder uitstoten dan toegestaan, kunnen ze deelnemen aan de eerder besproken ‘emissiehandel’.

Het kabinet wil dat Nederland één van de schoonste en zuinigste landen van Europa wordt. Dit gaat niet zomaar. In het werkprogramma ‘Schoon en Zuinig: Nieuwe energie voor het klimaat’ legt het kabinet uit wat ze in Nederland wil bereiken:

  • in 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen, met name CO2, met 30% verminderd zijn vergeleken met 1990;
  • het tempo van energiebesparing moet de komende jaren stijgen van 1% naar 2% per jaar
  • en in 2020 moet 20% van het totale energiegebruik duurzaam zijn (het aandeel duurzame energie is nu pas 2% van het totale energieverbruik).

Om de doelstellingen te halen, neemt de regering verschillende maatregelen. Zo zullen vervuilende auto’s de komende jaren duurder worden en auto’s die minder energie verbruiken goedkoper: als je een zuinige auto hebt hoef je bijvoorbeeld minder belasting te betalen. De overheid hoopt zo het gebruik van auto’s die beter zijn voor het milieu aan te moedigen.

Daarnaast moedigt de overheid zuiniger rijden aan door rond de grote steden 80 km-zones in te stellen. Auto’s mogen in deze zones minder hard rijden dan normaal. Een auto die 80 km per uur rijdt, vervuilt namelijk minder dan een auto die 100 km per uur rijdt.


Figuur 6.3.1, 80 km-zone, bron: ad.nl

Ook zal de belasting op benzine en elektriciteit omhooggaan. Omdat benzine, en dus auto rijden, daardoor duurder wordt, zullen mensen eerder gaan fietsen of gebruikmaken van het (goedkopere) openbaar vervoer. Ook verhoging van de elektriciteitsprijs zal mensen aanmoedigen om zuiniger met elektriciteit om te gaan. Tevens wordt het gebruik van duurzame energie financieel gestimuleerd door hiervoor subsidies te geven.

De overheid probeert de burgers ook op andere manieren te stimuleren energiebesparende maatregelen te nemen. Om kopers informatie te geven over hoe energiezuinig een bepaald product is, hebben sommige producten zoals apparaten en auto’s een ‘energielabel’. Dit label geeft met de letters A t/m G en de kleuren donkergroen t/m rood aan hoeveel energie het apparaat of de auto verbruikt (A & groen is het energiezuinigst). Burgers kunnen zo bewust kiezen voor energiezuinigere producten. Vanaf dit jaar zal het energielabel bovendien ook gebruikt gaan worden om aan te geven hoe energiezuinig huizen zijn.


Figuur 6.3.2, bron: VROM

Voor meer informatie kan je de volgende filmpjes bekijken:

6.4 Overige maatregelen

Naast de acties die de regering al heeft genomen om het klimaat te beschermen zijn er nog andere maatregelen die de schadelijke invloeden op het klimaat kunnen beperken.

6.4.1 Verbod op gloeilampen

Spaarlampen gebruiken ongeveer 80% minder energie dan normale gloeilampen. Als in Nederland alle gloeilampen door spaarlampen vervangen zouden worden, zou 1,5 miljoen ton CO2 minder worden uitgestoten. Dit komt overeen met bijna 1% van de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland. In Californië en Australië is er al een wet die de burgers verplicht gloeilampen te vervangen door spaarlampen.


Figuur 6.4.1 eerste lamp is een gloeilamp, tweede lamp is een spaarlamp

6.4.2 CO2 opslag onder de grond

De laatste jaren groeit de interesse in opslag van CO2 onder de grond. Sinds 2005 geldt dit als een officieel CO2 reductiemiddel onder het Kyoto protocol. In Nederland zijn lege gasvelden mogelijk geschikt als opslagreservoir. Daar is momenteel volop onderzoek naar. In de Verenigde Staten, Australië, Noorwegen en Groot-Brittannië worden al grote hoeveelheden CO2 op deze manier opgeslagen . Er vindt nog onderzoek plaats naar de mogelijkheden voor opslag onder de zeebodem.


Figuur 6.4.2, bron: ECN

6.4.3 Autogebruik in de stad beperken

In Stockholm en Londen moeten automobilisten per dag een extra bedrag betalen om in de stad te mogen rijden. Het doel hiervan is om het aantal automobilisten in de binnenstad te beperken en zo de luchtkwaliteit te verbeteren en de CO2 uitstoot te verminderen. In Londen wordt dit beleid, dat in 2003 is ingesteld, de ‘congestion charge’ genoemd (zie figuur 4.3.2). In het eerste jaar heeft de regeling geleid tot een afname van de CO2 uitstoot met 20%. In Stockholm werd een vermindering van 14% waargenomen.


Figuur 6.4.3, heffing voor rijden in binnenstad londen, bron: www.derekhenkle.com

Voor meer informatie kan je de volgende filmpjes bekijken:

6.5 Top 56 klimaatlanden

In de Climate Change Performance Index worden de klimaatprestaties van 56 verschillende landen vergeleken. De Duitse milieu-organisatie Germanwatch heeft hiervoor de CO2 uitstoot van 56 landen vergeleken die gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor 90% van de totale uitstoot. Zweden presteert volgens deze index het beste en voert het meest effectieve klimaatbeleid. Saudi-Arabië kreeg de laatste plaats toebedeeld en Nederland is te vinden op de 30e plaats. Binnen de EU staat Nederland op de 19e plaats. Er valt dus nog veel te verbeteren. In figuur 6.5 vind je de totale lijst van landen en hun waardering in de Climate Change Performance Index.


Figuur 6.5, bron: Germanwatch

Bekijk het wetenschappelijk achtergronddocument van Climate Quest: Klimaatverandering: oorzaken, gevolgen en oplossingen Authors: Rens Kortmann (CE Delft), Edgar Peijnenborgh (RPS), Judith Harrewijn en Lindske van Hulst (SME Advies)

1. Klimaat

2. Klimaatverandering in het verleden

3. Klimaatverandering in de toekomst

4. Oorzaken van de huidige klimaatverandering

5. Gevolgen van klimaatverandering

6. Maatregelen tegen klimaatvervandering

7. Wat kan ik zelf doen?

8. Alternatieve energiebronnen

9. Het klimaatbeleid van de Verenigde Staten

10. Nog meer over het klimaat