2.3 Invloed van de aarde op klimaatverandering
De klimaatveranderingen in het verre verleden zijn niet veroorzaakt door de mens. Mensen bestonden namelijk het grootste gedeelte van de tijd nog niet. Natuurlijke processen op aarde waren verantwoordelijk voor de veranderingen en deze spelen nog steeds een grote rol.
2.3.1 Positie van de continenten
De positie van de continenten heeft invloed op de zeestromen. Als de continenten allemaal dicht bij elkaar liggen (zoals miljoenen jaren geleden), is de stroming van de zee anders dan wanneer de continenten verder van elkaar af liggen (zoals nu). Als de continenten dicht bij elkaar liggen, kan warmte bijvoorbeeld effectiever naar meer plaatsen op aarde stromen. Waardoor het op meer plekken warmer wordt. Andersom wordt het kouder als de continenten verder uit elkaar liggen en de warmte minder effectief door de zee kan worden verspreid.
2.3.2 Vulkanische activiteit
Vulkanen kunnen door grote uitbarstingen het weer beïnvloeden. Als stof en zwaveldeeltjes in de stratosfeer (luchtlaag boven de aarde) terechtkomen, houden ze zonlicht tegen. Daardoor wordt het kouder (net zoals bij meteorietinslagen). Het effect van zo’n uitbarsting kan wel 2 jaar duren. Zoals je in figuur 2.3.2 ziet, komt er bij een uitbarsting onder andere flink wat CO2 vrij.

figuur 2.3.2
2.3.3 Broeikasgassen
De atmosfeer bevat een aantal broeikasgassen, waaronder CO2. Broeikasgassen zijn gassen die in de atmosfeer bijdragen aan het verhogen van de evenwichtstemperatuur van de aarde. Zonder deze gassen zou de aarde een kille planeet zijn. Het zou dan gemiddeld –18 graden Celsius zijn. CO2 (koolstofdioxide) is een molecuul. Het bestaat uit 1 koolstofatoom en 2 zuurstofatomen. Atomen kun je vergelijken met knikkers. CO2 zou dan dus bestaan uit 1 grote, met daaraan 2 kleine knikkers. In afbeelding 2.3.3 zie je een voorstelling van een koolstofdioxide molecuul. In werkelijkheid zijn ze heel klein en niet zichtbaar.

figuur 2.3.3 voorstelling van CO2
molecuul
Als we kijken naar het CO2 gehalte in de atmosfeer over de laatste 150.000 jaar, dan is er in koude periodes weinig CO2 en in warme periodes veel CO2. We kunnen niet precies vaststellen of het CO2 gehalte het klimaat ‘volgde’ of ‘stuurde’. Natuurlijke schommelingen in het CO2 gehalte in de atmosfeer hebben dus invloed op het klimaat. Maar ook de toename van het CO2 gehalte in de atmosfeer door menselijke activiteit heeft invloed.
2.3.4 Albedo-effect
De aarde kaatst een groot deel van de ontvangen zonne-energie weer de ruimte in. Dit noemen we het Albedo-effect. Dit effect is voor elke bodemsoort anders. IJsmassa’s, maar ook woestijngronden, kunnen veel zonnestraling weerkaatsen. Als er iets verandert in het klimaat, bijvoorbeeld als er een ijstijd optreedt en er dus meer zonnestraling weerkaatst wordt, neemt het Albedo-effect toe. En dat heeft weer invloed op het klimaat. Een voorbeeld is te zien in figuur 2.3.4.

figuur 2.3.4 Albedo-effect
2.3.5 Lucht- en Zeestromen
De Atlantische Oceaan heeft veel invloed op het klimaat in Europa. De luchtdruk boven de oceaan is niet overal hetzelfde. Er zijn hoge en lage luchtdrukgebieden. Door veranderende luchtdruk kunnen luchtstromen veranderen. En luchtstromen voeren warme of koude lucht mee. Verandering in de luchtstromen kan dus weersverandering en op de lange termijn klimaatverandering veroorzaken.

